Alvast een stukje uit mijn boek

Een kleine impressie uit

een paar hoofdstukken


Een stukje uit hoofdstuk 1:

Toen alles nog goed was

Na de dorpsschool moest ik samen met twee vrienden een toets maken in Biak om naar de Algemeen Lagere School te mogen in Sorido. We werden alle drie toegelaten. Die school werd in die tijd net opgezet. De oprichter was meneer Berend Soer, een ex-marineman uit de Achterhoek. Leerlingen kwamen van over heel Biak vandaan en ik hoorde tot de allereerste leerlingen van die school.

Als je op dezelfde dag jarig was als iemand van het Nederlandse Koningshuis, dan kreeg je elk jaar cadeaus opgestuurd van de Oranjevereniging in Nederland. Ik was op dezelfde dag jarig als Prinses Irene en daarom kreeg ik ieder jaar oranje cadeautjes zoals pennen, schriften, vlaggetjes, snoep.... alles oranje.

In de derde klas kregen we van meneer Soer ansichtkaarten van jongens en meisjes in Nederland. Hun namen stonden erop, zodat je met hen kon corresponderen. Ik deed graag mee en ik kreeg de kaart van ene Leo Franciscus Flake uit Enschede. Dat werd mijn correspondentievriend.

We waren nog kinderen, dus wat we schreven waren vooral jongensverhalen. Leo schreef over de winter in Nederland en over de sneeuw daar. Dan schreef ik terug: "Bij ons kun je het hele jaar zwemmen. Maar wij hebben ook sneeuw, eeuwige sneeuw op de toppen van de bergen in het binnenland." We schreven ook over onze dromen voor later. Ik weet nog dat ik hem een keer schreef: "Als ik ooit in Nederland kom, dan kom ik je opzoeken." Toen ik een aantal jaar later voor mijn opleiding naar Hollandia vertrok, is onze correspondentie gestopt. Ik begon aan mijn toekomst, mijn kinderverhalen liet ik achter, samen met mijn kindertijd.

Eind 1959 begon het Gouvernement van Nederlands Nieuw Guinea aan de voorbereidingen voor een onafhankelijke staat West Papua. Overal werden plakkaten opgehangen met de oproep aan jongeren om zich te melden voor een opleiding. Ook via Radio R.O.N.G. (Radio Omroep Nieuw Guinea) werden jongens en meisjes opgeroepen en op alle lagere en middelbare scholen werden leerlingen voorgelicht over deze onderwijscampagne, zodat we ons zouden kunnen inzetten voor de toekomst van ons vrije land.

Lieve papa en mama,
Ik ben gevlucht naar Nederland. Als de Heer mij en mijn gezondheid beschermt, dan hoop ik op een dag terug te komen om jullie weer te zien. Zo niet, weet dan dat ik in Nederland ben. Lieve groet, God zegene jullie, Adek.

Leo en Eddy in Enschede, mei 2013

Een stukje uit hoofdstuk 3:
Ik woon en werk inmiddels in de haven van Sorong

Op 19 april 1964 meldde de uitkijkpost aan de havenmeester dat er een buitenlands schip voor de haven van Sorong lag. Met de havenmeester en de loods moest ik de ms Schelde Lloyd tegemoet varen. Het schip lag buitengaats te wachten op de loods. Terwijl we met het loodsbootje op dat grote schip afgingen, voelde ik van binnen de bevestiging dat dit schip mijn laatste kans zou zijn om te vertrekken.


Toen dat schip aan de kade lag, werd ik bij de havenmeester geroepen. Hij gaf me de bemanningslijst van de ms Schelde Lloyd, die moest ik naar zijn kantoor brengen. Zelf moest hij nog een en ander bespreken met de kapitein. Op weg naar dat kantoor, zei een stemmetje in mijn hoofd dat ik even in die bemanningslijst moest neuzen. Al lopende las ik al die Hollandse namen.

Tot mijn verbazing zag ik op die lijst de naam Leo Franciscus Flake staan. Meteen schoot het door mijn hoofd, dat is dezelfde naam als mijn correspondentie-vriend van de lagere school! Daar had ik al drie jaar geen contact meer mee. Zou dit diezelfde Leo zijn?

Aan boord van de Schelde Lloyd ging ik naar de kantine waar de mannen bij elkaar zaten om te drinken en muziek te maken. Bij de kantinedeur kwam bootsman Eigenraam naar me toe: "Wat kom je doen?" Ik vroeg hem of ze iemand aan boord hadden die Leo Flake heet. Hij antwoordde: "Jazeker, dat is een van de bemanningsleden en hij is hier." Toen ik vroeg of ik hem mocht spreken, riep de bootsman naar de mannen in de kantine: "He Leo, ik heb hier een Papua-jongen voor jou, hij wil je spreken."

Leo, de dekjongen, was vriendelijk en onbevangen. Hij praatte volop en nog voordat ik hem kon zeggen waarvoor ik kwam, vertelde hij mij dat hij tot drie jaar terug had gecorrespondeerd met een Papoea-jongen in Biak. Ik wist niet wat ik hoorde. Leo voegde er aan toe dat hij hoopte op deze laatste tocht die jongen uit Biak te kunnen vinden. Ik was nog altijd stil van spanning, maar Leo praatte gewoon door. Toen stond hij op en pakte een fotoalbum van zijn kastje. Hij haalde er een foto uit en liet mij zijn correspondentievriend zien.

Ik kon bijna geen adem meer halen, want ik had mijn eigen foto in mijn hand! Maar ik zei hem niet meteen dat ik het was, de spanning was gewoon te groot. In plaats daarvan zei ik dat ik ook een foto had van mijn correspondentievriend, een Nederlandse jongen. Leo wilde die foto graag zien.

Toen ik de foto uit mijn zak haalde riep Leo verrast: "Wauw, dat is mijn pasfoto! Ben jij die Korwa?!" Hij sloeg zijn armen om me heen in een stevige omhelzing terwijl hij me vroeg: "Wat wil je, wat ben je van plan?" Ik zei: "Ik wil van hier weg, ik wil vluchten". Leo reageerde meteen: "Okee, ik zorg dat je in Nederland komt".

Dit is het begin van een spannend verhaal over een bootreis van 4 maanden, van Sorong naar Rotterdam.

Mijn hele boek lezen?